De wanten fan Cornelia

In 1826 vaart de bemanning van de galjoot “Harlingen” uit voor de walvisvaart.
Het noodlot slaat toe: zij komen vast te zitten in het ijs en het schip vergaat.
Het stuk, gebaseerd op ware feiten, aangevuld met de fantasie, vertelt over de belevenissen van de walvisvaarders én van de thuisblijvers in Harlingen.
Over honger, verlangen en wanhoop. De enige die weet hoe het af zal lopen is Wazige Wietske, die altijd zeven dagen in de andere week op kijkt: “Geduld, je mutte sterk weze, ies.”
Klinkt dramatisch, maar dankzij de Harlinger humor in het stuk, valt er ook genoeg te lachen…

Muziekstuk/streektaal/historisch toneel